Nieuw realisme

Rutger Bregman schreef een intrigerende geschiedenis van de mens. Zijn conclusie is dat de meeste mensen deugen. Deze conclusie is tegelijkertijd de titel van zijn omvangrijke (520 pagina’s) boek. Hij eindigt zijn boek met het dwingende advies ‘Wees realistisch’: ‘Kom uit de kast, Geef toe aan je natuur en schenk je vertrouwen. Schaam je niet voor je generositeit en doe het goede in het volle daglicht. Misschien zul je eerst nog worden weggezet als onnozel en naïef. Maar bedenk: de naïviteit van vandaag kan de nuchterheid van morgen zijn. Het is tijd voor een nieuw mensbeeld. Het is tijd voor een nieuw realisme’. Als lezer word je direct aangesproken, niet alleen in het laatste hoofdstuk met zijn tien leefregels, maar ook in de voorgaande hoofdstukken. Zijn belangrijkste boodschap is dat we ten onrechte uitgaan van de gedachte dat wij mensen ‘geheel en al onbekwaam zijn tot iets goed en geneigd tot alle kwaad‘. Ik gebruik hier tekst die ik aantrof in het boek ‘Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk in Nederland’ (2004), de link achter het citaat verwijst naar een nog klassiekere verwoording van de Heidelbergse Catechismus. In zijn boek zijn we de getuigen van zijn succesvolle om dit negatieve – zogenaamd realistische – mensbeeld onder uit te halen.

Virtueel dispuut

Bregman ziet de filosoof Thomas Hobbes als de vertegenwoordiger van het negatieve mensbeeld. De mens is – volgens Hobbes en zijn volgelingen – voor andere mensen een wolf. Hij moet in bedwang worden gehouden door leiders, wetten en regels. Hij laat ook zien hoe dominant dit mensbeeld is in verhalen over kinderen op een verlaten eiland, in de veronderstelling dat bombardementen en overstromingen per definitie leiden tot chaos, moorden, diefstal en demoralisatie. Bregman onderzoekt die verhalen en berichten tot in detail en toont aan dat de werkelijkheid toch wel anders is geordend. Tegenover Hobbes brengt hij Jean-Jacques Rousseau in stelling. Rousseau meende dat de mens in aanleg – in een natuurlijke staat – juist goed is.  De vooruitgang beschadigt de goede natuur. Mijn beeld is dat Bregman vooral de consequenties van de denkwijze van Hobbes onder kritiek stelt, zonder dat hij Rousseau ten volle omarmt. Ik ben – als dienstweigeraar – wel getroffen door de waarneming dat veel soldaten op het slagveld hun geweer en bajonet liever niet gebruiken; hun meerderen in rang moeten hen er bijna toe dwingen. Een belangrijk punt van Bregman is dat het dominante negatieve mensbeeld vergaande consequenties heeft voor zowel ons perspectief op als de interpretatie van de werkelijkheid.

In het verlengde van dit dispuut gaat Bregman ook uitvoerig in de wijze waarop we andere mensen tegemoet treden. Hij betoogt op indrukwekkende wijze – geïllustreerd met talloze voorbeelden – dat onze bejegening van de ander ook specifiek gedrag kan uitlokken. Benaderen we de ander als iemand die ‘kwaad’ wil, dan is de kans groot dat die ander zich ook ‘slecht’ zal gedragen. We zien dat terug in de wijze waarop organisaties ingericht worden met allerhande procedures en protocollen om mensen het goede te laten doen, alsof ze niet innerlijk gedreven kunnen zijn. Maar andersom gaat deze vlieger ook op. Treden we anderen in vertrouwen tegemoet, dan is de kans klein dat ze dit vertrouwen zullen beschamen.

Dit alles brengt Bregman tot een kritiek op wat doorgaans als realistisch wordt gezien. Je bent realistisch als je uitgaat van het slechte in de mens. Bregman laat vrij overtuigend zien dat dit allesbehalve realistisch is, het beeld is gebaseerd op een fictief mensbeeld. Echt realisme betekent dat je uitgaat van het harde gegeven dat de meeste mensen deugen.

Geneigd tot alle kwaad?

Bregman verwijst minstens één keer naar het calvinistische mensbeeld, zoals verwoord in de Heidelbergse catechismus. Calvijn en Hobbes kunnen zeker niet onder één noemer gebracht worden. Maar zijn verwijzing is niet vreemd, zeker niet vanwege de wijze waarop calvinisten zich gedroegen. Ook de christelijke traditie worstelt met het kwaad in de wereld. Net als Rousseau veronderstelde die traditie een paradijselijk begin. Het verhaal over de zondeval van de mens laat dan een gedeeltelijke (katholiek) of totale breuk (calvinistisch) met deze natuurtoestand zien. Ze werkt ook door in de menselijke geschiedenis, vandaar wellicht de term erfzonde, en daarmee ook in ieder mens. Maar nogmaals, die verhalen vormen een menselijk antwoord op de ervaring van het kwaad in de wereld. Op het moment dat je daar een soort dogma van maakt, sanctioneer je als het ware het kwaad en daarmee ook de laksheid tegenover het kwaad.

De Heidelbergse catechismus is geschreven in een tijd dat veel mensen dit aardse bestaan beleefden als een opstapje naar een eeuwig leven. Dat klinkt voor de moderne mens misschien wat vreemd, maar is m.i. minder vreemd dan alle fantasieën over een volgend leven in de gedaante van een mens of dier, een te raadplegen geest, van sterretje aan de hemel of vlinder in de natuur. De vraag in die tijd was niet zozeer hoe we een betere wereld kunnen creëren, maar hoe we dat eeuwige leven konden bereiken. Ik lees dit soort teksten als voortkomend uit een sterke overtuiging dat de mens dat eeuwige leven niet kan verdienen, het eeuwige leven is binnen die overtuiging een geschenk (genade). Als we dat willen vertalen naar deze tijd, waar het accent sterk ligt op het goede doen in deze wereld en deze tijd, dan lees ik die tekst vooral als een waarschuwing tegen een geloof in en streven naar maakbaarheid en perfectie. Ziekte, beperkingen en dood kunnen en moeten bestreden worden, maar het is een illusie dat mensen ze geheel en al kunnen uitbannen. Al dan niet mede door mensen veroorzaakte natuurrampen alsmede oorlogen, armoede en honger dienen zo veel mogelijk voorkomen worden; de gevolgen in termen van menselijk leed dienen verzacht te worden. Maar ook hier lees ik die tekst als een waarschuwing tegen het verlangen naar een utopie waar alle leed verbannen is.

In die zin heb ik het boek van Rutger Bregman vooral gelezen als een inspirerende handreiking om te leven, te denken en te handelen vanuit de veronderstelling dat de meeste mensen deugen. Het is (bijna gelukkig) geen definitief antwoord op de vraag naar de omgang met het wel degelijk bestaande kwaad.